Hr. D. van Laar - Oorlogsslachtoffers Betuwe-West

Westbetuwse oorlogsslachtoffers
Ga naar de inhoud

Hr. D. van Laar

Gemeente Buren > Burgerslachtoffers: > Ingen
Achternaam: Laar
Tussenvoegsels: van
Voornamen: Dirk
Voorletters: D.
Rang: Sld.Inf.
Mil. onderdeel: KNIL.
Geboorteplaats: Ingen, gem. Buren
Geboortedatum: 05-09-1918
Overlijdensplaats: Rangoon
Overlijdensdatum: 29-11-1942
Begraafplaats: Nederlands ereveld Menteng Pulo te Jakarta
Gemeente: Jakarta
Land:Indonesië
Vak: XI
Nummer:131
De ouders van Dirk waren de uit Lienden afkomstige landarbeider Jan van Laar en Antonia van  Garderen uit Amerongen. Ze kregen samen vijf kinderen:
  • Jan (1913),
  • Janna  (1916),
  • Dirk (1918),
  • Teuntje (1921)
  • Pieter (1923).
Beide ouders stierven kort  na elkaar: Antonia in 1928 en Jan in 1936.


Dirk van Laar (rechtsachter) op een lagere school klassenfoto  uit 1928

In oktober 1937 nam Dirk dienst  bij het K.N.I.L. Hij was hier soldaat 1e klas bij het Pantser Afweer Geschut.(PAG) Toen in december 1941 ook in Nederlands-Indië de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd Gerrit begin maart 1942 in Purwakarta op Java door de Japanners geïnterneerd in de sociëteit. Vermoedelijk is hij daarna overgebracht naar de kazerne van het 10e Bataljon in Batavia.

Op 15 oktober 1942 vertrok het   oude, 3.000 ton metende Japanse transportschip ss Tacoma Maru met circa   1.600 Nederlandse krijgsgevangenen (ook wel Java-party genoemd), waaronder Dirk   van Laar, vanuit Tandjong Priok   met bestemming Rangoon aan de westkust   van Burma, het huidige Myamar.   Tijdens de zeereis stierven aan boord veel gevangenen. Op de rede van George Town, Penang (Malakka),   waar het schip negen dagen ten anker bleef liggen, probeerde konstabelsmaat   G. Pronk op 12 december 1942 via de ankerketting te ontsnappen. Hij werd   door Japanse bewakers gegrepen en vervolgens ernstig mishandeld, waarna hij   nog een etmaal lang op het voorschip in de houding moest staan. Als gevolg   daarvan overleed hij in Rangoon op 23 december 1942.
Na aankomst in Rangoon op 7   november 1942, werden de gevangenen overgebracht naar de Rangoon gevangenis (de   zgn. Rangoon Ritz).

Deze   Strafgevangenis lag in het zuidwesten van de stad. Onder de   krijgsgevangenen heerste een hardnekkige bacillaire dysenterie, die al in   Batavia werd geconstateerd vanwege de daar heersende slechte hygiënische   toestand in het kamp 10e Bataljon. Aan boord vielen onderweg 12   doden, in de Rangoon-Gevangenis 220 doden. Er waren geen medicijnen   beschikbaar. De vier Nederlandse doctoren waaronder Van Hasselt, Brouwer   en Reeling Knap konden de ziekte uiteindelijk enigszins onder controle   krijgen door hen streng te isoleren in de ziekenzalen.
Het dieet   was maar net boven het hongerdoodniveau, zeker als men bedenkt dat de   gevangenen voor het zware koeliewerk werden ingezet. Het dieet bestond hoofdzakelijk   gedurende twee jaar uit rijst, dat als ongeschikt was afgewezen voor Japanse   consumptie. Ook maakte de koks gebruik van zemelen, van dezelfde   kwaliteit als die Japanners aan hun varkens gaven. Elke dag waren er acht   pompoenen voor 200 mannen. Aan het voedsel   ontbrak vitamine B, zodat de gezondheid bij de gevangenen geleidelijk afnam. Tijdens hun   gevangenschap kregen de gevangenen geen Rode Kruis-voedselpakketten, noch   werden medicijnen toegediend. De mannen hadden slechts de beschikking over twee eetketels   water per week voor alle wasdoeleinden.
Terug naar de inhoud