Dhr. A. van Maren - Oorlogsslachtoffers Betuwe-West

Westbetuwse oorlogsslachtoffers
Westbetuwse oorlogsslachtoffers
Ga naar de inhoud

Dhr. A. van Maren

Gemeente West Betuwe > Burgerslachtoffers: > Waardenburg
Naam: Maren
Tussenvoegsels: van
Voornamen: Arie
Voorletters: A
Beroep:
Rang: Sergeant Infanterie
Onderdeel: KNIL.  Unit: 1  inf xv
Geboorteplaats: Waardenburg
Geboortedatum: 24-06-1918
Overlijdensplaats: Rangoon
Overlijdensdatum: 12-12-1942
Begraafplaats: Nederlands ereveld Menteng Pulo
Gemeente: Jakarta
Land: Indonesië
Rij: XI
Nummer: 96
Graf van de ouders van Arie in Waardenburg

De ouders van Arie waren kastelein Arie van Maren (1881- Baarn 1979) en Lena Blom (1882-1963). Zij trouwden in februari 1911 in Geldermalsen en woonden op de Kerkstraat 52 in Waardenburg. Ze kregen de volgende kinderen:
 
  • Jacobus (1911- Den Haag 1977), gehuwd op 16 juni 1938 met Roelofje Margaretha Meijer (*1908)
  • Johanna (1913-1915)
  • Cornelis "Kees" (1914- Lelystad 2000), gehuwd op 25 augustus 1938 met Hendrikje Gijsbertha van Roekel (1912-1987)
  • Johanna (1915- Woerden 2003), gehuwd op 29 juni 1939 met Hendrik Koenraad Schrijver uit Tuil (1912-1989)
  • Arie (1918-1942)
       
Uit brieven van Arie aan zijn broer Kees, blijkt dat hij in april 1937 in de Prins Hendrikkazerne in Nijmegen zijn opleiding kreeg. In september beschrijft hij zijn reis naar Indië:
"We hebben een fijne reis gehad, we mochten overal aan land. In Southampton hebben we anderhalve dag gelegen, maar daar was niet veel te zien. Toen zijn we naar Lissabon gevaren, daar vond ik het heel mooi, allemaal palmen en toen zijn we door gevaren naar Tanger, die stad ligt helemaal tegen de bergen aan, maar dat is een smerige stad.
 
Dezelfde dag zijn we door gevaren naar Gibraltar, toen kregen we de " Johan Maurits van Nassau" naast ons, de kruiser. Daar zijn we ongeveer een uur geweest, maar alles is er dood. ‘s Avonds voeren we langs de Spaansche kust, toen konden we het kanonvuur duidelijk zien, dan beseft men pas hoe verschrikkelijk het is die burgeroorlog.
 
Den dag daarna kwamen we in Marseille aan. Dat is de enigste stad geweest wat me tegen gevallen is, het is een vieze stad. Ik ben er ‘s avonds niet eens meer heen geweest. Toen we uit Marseille vertrokken zijn, zijn we ‘s nachts langs de "Strombolie" gevaren, dat is een vuurspuwende berg bij Italië, dat is schitterend als je dat vuur de lucht in ziet schieten. Een dag later zijn we door het Suezkanaal gegaan, we kwamen toen een Italiaans schip tegen met soldaten van Abesinië . Toen kwamen we in de rode zee, nu Kees, daar is het bijna niet te houden zoo warm is het daar, ‘s nachts sliepen we alleen maar aan dek.
 
Daarna zijn we 4 dagen op zee geweest en van zaterdag op zondag kregen we storm in de Indische oceaan. Daar zijn we voor het eerst zeeziek geweest gelukkig maar een dag. In Colombo ben ik niet aan land geweest. In Subang wel, daar is het ook prachtig en goedkoop, want dat is een vrijhaven, daar is geen invoerrechten, daar groeien de bananen en cocosnoten gewoon langs de weg.
 
De volgende dag kwamen we in Beleuoan aan. Daar was niets te zien, maar toen zijn we met de trein naar Medan geweest, dat ligt een heel eind het binnenland in, dan kom je door de wildernis, je ziet daar allemaal wilde apen. ‘s Woensdags kwamen we in Singapore aan, daar is het ook goedkoop en vooral het ondergoed. Daar kochten we 5 interlockhemden voor 1 gulden.
 
Donderdags zijn we in Batavia aangekomen daar hebben we "de Ruiter" nog gezien. We zijn tot vrijdags in Batavia gebleven, maar daar is het warm hoor, de stad is lang zo mooi niet als Bandoeng en het klimaat is hier ook heel anders. Van Batavia naar Bandoeng is nog 180 kilometer. De treinen rijden hier veel harder als in Holland. Over 180 kilometer deed de trein 2 uur en 3 kwartier en dat gaat heel hoog de bergen op, dan kan hij niet meer rijden als een 40 kilometer en dan weer 80 of 90 kilometer."

Dan wordt Arie in april 1938 overgeplaatst en schrijft hij: "Buitenzorg is wel een mooi plaatsje, de GouverneurGeneraal woont hier ook, maar het is hier erg stil. Het is hier geen stad, maar een buitenplaats. ledere middag valt er zoo een echte Indische regenbui en dan regent en onweert het zoo als je het in Holland haast nooit ziet. Maar de jongens zijn hier veel gemoedelijker onder elkaar als in Bandoeng en de burgers ook.
 
We verdienen nu Fl. 5.25 per week en we hebben ruim Fl. 18. met terug werkende kracht gehad met die nieuwe verhoging . Ik heb ook een nieuwe fiets gekocht, met lamp, enfin met alles erbij voor Fl. 30."
Dan trouwt zijn broer Kees en schrijft hij: "Het spijt me wel dat ik er niet bij ben maar daar is niets aan te doen. Jo zal het volgend jaar wel gaan trouwen en zoo schiet ik er alleen over, maar dat geeft niets. Het zal voor mij wel langer duren als van jullie want hier zou ik nooit trouwen, al kreeg ik al het geld wat er bestond dan nog niet. En als ik nog eens naar Holland mag komen ben ik 25 jaar en als je dan nog verkeering moet zoeken is ook niets. Wij moeten nu ook voor ons zelf zorgen, dus dan moeten we het later ook maar doen en ik ben niet van plan als de 6 jaar om zijn en nog niets bereikt hebt weer in Holland leeg te loopen. , dat doe ik niet, maar het zal nog wel meevallen
 
Je verandert hier wel hoor, het gaat hier niet zo als in Holland Je moet hier absoluut standvastig zijn en als je dat niet bent is het mis. Alleen zondags vind ik het vervelend, oke, dan lig je ook haast de heelen dag op bed, want je kunt hier nergens heen. Ik ben hier nog nooit bij iemand in huis geweest, maar ik bemoei me ook met niemand als met onze eigen jongens."

In september 1938 de volgende passage uit zijn brief aan Kees: "Zijn jullie nog naar Waardenburg geweest, ja zeker? Als Jo volgend jaar trouwt, dan schiet er geen een meer over. Wat gaat alles toch vlug he?  Toch hebben we vroeger toen we allemaal nog thuis waren wel eens plezier gehad he? Daar denk ik dikwijls aan, maar dat kan toch niet altijd blijven, want dan zouden we nooit iets bereiken. Als ik over 6 jaar terugkom, dan zal ik in Holland wel uitzien, want die jongens die hier trouwen met die meisjes vind ik niets, maar dat zijn geen inlandsche maar allemaal halfbloed meisjes. Volgende week of over veertien dagen trouwen er hier 4 jongens van een brigade, allemaal hollandsche jongens. Er gaat niets boven een hollandsch meisje dat kun je hier het beste zien hoor!"

Bij tijd en wijle is zijn diensttijd zwaar: "Verleden week zijn we een week op oefening geweest, hier ongeveer een negentig kilometer vandaan. We waren zaterdags met de trein weggegaan. Zondags hadden we een rustdag en een godsdienstoefening door de legerpredikant en 's maandags begon de oefening. 's morgens om kwart over vier gingen we op marsch en 's avonds om zeven uur lagen we nog in het terrein. Toen hebben we maar onder een afdak geslapen, maar je kleren hou je natuurlijk aan, 's avonds om elf uur kwam de keukenwagen pas en 's nachts om half-twee moesten we alweer op en dinsdags om twaalf uur was de eerste oefening afgeloopen en 's woensdags hadden we een rustdag.
 
Donderdagsnacht hebben we 's nachts weer in het veld geslapen, ook in een bamboehut, maar toen begon het 's nachts te regenen en toen moesten er 30 man op uitgestuurd worden om de keukenwagen uit de modder te trekken. Die was verzakt en een andere brigade moest 's nachts brood halen en die kwamen om half vier pas weer terug. Het eten was nog zuur ook en de volgende dag had de hele compie de diaree, dus je begrijpt hoe of het er de hele nacht er aan toe ging. We waren tenminste blij dat het zaterdag was, om half vijf waren we thuis.
 
In die streek waar we waren kun je haast niets kopen en de menschen zijn er erg arm en water is er bijna helemaal niet. Ik heb me wel eens moeten wasschen met water uit mijn veldfles maar later kon je dat toch niet doen, want anders had je niets te drinken en toen wasschten we ons helemaal niet en het is er gloeiend heet. Dat is bij Tangerang. Misschien kun je het op de atlas vinden."

In een brief uit april 1939 blijkt dat hij wel op de hoogte is van de ontwikkelingen in Nederland: "Hoe is de toestand in Holland, hier merk je er niet veel van. In Waardenburg liggen er ook soldaten. Toch loopt het een keer mis, dat kan nooit zoo blijven. Hier zullen wij er niet veel last van hebben, denk ik."

Eind december 1939 het volgende: "De laatstse weken heb ik nog geen tijd gehad je te schrijven hoor, want we hebben het hier zoo druk met leeren. Want het is nu aanpakken dat begrijp je. Het is maar een poosje, dus doen we behoorlijk ons best, maar laat ik jullie eerst een zalig uiteinde en een gelukkig en voorspoedig nieuwjaar toewenschen en laten we hopen dat we het volgend laar ook nog gezond mogen blijven en dat er maar gauw vrede moge komen. Want als de oorlog door gaat, geloof ik niet dat Holland erbuiten blijft.

Zijn jullie met de kerst nog naar Waardenburg geweest? Nu hoor, ik vind het fijn dat vader het café heeft laten verbouwen. Nu hebben ze tenminste met niemand te maken en heeft moeder het ook wat rustiger.

En Kees, hoe gaat het met je werk, is er nog werk genoeg. Je boft toch dat je niet in dienst ben, ik zou er niet meer uit willen hoor, daar is eigenlijk niets beter als de dienst. Je hoeft niet bang te zijn voor ontslag en je tractement gaat altijd door en als je tijd om is krijg je pensioen dus wat wil je nog meer. Het is hier wel stil hoor in Nagelang, je ziet hier niet veel. Maar dat is hier overal in Indie, nu en s"middags zie je hier niemand, want dan is het te warm.
Als dit jaar om is schiet het alweer op; dan is de cursus alweer half afgeloopen en dan beginnen we weer met nieuwe moed. Je moet hier wel veel leeren. Soms ben ik s"nachts om twee uur nog bezig en om vijf uur staan we alweer op, maar dat geeft niets als we maar bereiken waar we voor werken. Maar ik zal mijn best doen dat ik als sergeant naar Holland kom, dan heb je tenminste een tractement van ruim tweehonderd gulden per maand, dus dan heb je het goed."

De laatst bekende brief van hem is uit maart 1940: "En dan kwam er nog bij dat ik moest leeren voor de catechesatie, want jullie moet weten dat ik gisteravond lidmaat geworden ben, nu hoor het was fijn maar op zo'n moment voel je je alleen en ook wel een beetje eenzaam, vooral als je ziet dat alle anderen hun familie bij zich hebben en jezelf geheel alleen bent. Nu hoor, ik vond het fijn, We waren met 28 menschen en er waren acht jongens. De meisjes waren allemaal in het wit. Dat is hier in Indië de gewoonte, maar het is wel mooi hoor. Na afloop ben ik maar naar bed gegaan, want naar kennissen kun je toch niet, die heb ik niet sinds ik uit Holland gegaan ben, heb ik die niet meer gehad en op het laatst krijg je gewoon een hekel aan alles wat burger is.

Want Indië is Holland niet, het leven is hier veel vrijer. Als je hier nu zo'n paar jaar zit, zie je pas de bekrompenheid van Holland. Dat is hier geheel anders, maar wat de menschen betreft, zijn ze in Holland veel gezelliger dan hier. Want gezelligheid kennen ze hier in Indië niet, tenminste niet zoo als wij dat gewend zijn .Maar tenslotte wen je overal aan en ga je jezelf aan de omstandigheden aanpassen."

Op 8 maart 1942 werd Arie in Nederlands-Indië in Bandoeng door de Japanners gevangengenomen. Hij werd op 29 oktober 1942 al ziek op transport naar Thailand gezet.
  
Stamboeknummer: 92577
  
Place of capture: バンドン; Bandung
  
Date of capture: 17/03/08;   1942/03/08
  
Camp and transfer date 1: 爪哇 17/08/15[04/20]; Java POW Camp   1942/08/15[04/20]
  
Camp and transfer date 2: ; Thai POW Camp
  
Camp Branch Name and Reg No. 1: I(ジャワ俘虜収容所第1分所)17606; No.1 Branch Camp of Java   POW Camp 17606
  
Camp Branch Name and Reg No. 2: (タイ俘虜収容所第1分所); No.1 Branch Camp of Thai POW Camp
Departed to be transferred to Thai POW Camp on 29 October 1942; Died on 12 December 1942.   (JA.71 P.364); Died of dysentery at 21:30 on 12 December 1942. Burial; Fell ill on 18 October 1942; Place of death: Rangoon POW Camp; Disposal of remains: Cremation. JA.71 ;
  
Volgens de Japanse kampkaart is Arie op 12 december 1942 in een Birmees krijgsgevangenkamp aan de gevolgen van dysenterie (buikloop) overleden.  

Met dank aan de info uit de brieven: T. van Maren    
Terug naar de inhoud