Dhr. G. van Meegdenburg - Oorlogsslachtoffers Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Westbetuwse oorlogsslachtoffers
Ga naar de inhoud

Dhr. G. van Meegdenburg

Gemeente West Betuwe > Burgerslachtoffers: > Geldermalsen
  Achternaam: Meegdenburg
Tussenvoegsels: van
Voornamen: Geertruidus
Voorletters: G.
Beroep: Stoffeerder
Geboorteplaats: Geldermalsen
Geboortedatum: 16-06-1921
Overlijdensplaats: Magdeburg   Stadtkreis Magdeburg
Overlijdensdatum: 07-12-1942
Begraafplaats: Nederlands Ereveld Loenen
Gemeente: Apeldoorn
Vak: E
Nummer: 681

Bron foto graf: OGS
Frans en Sientje (Bron: G. de Ruiter-van Meegdenburg)

De ouders van Geert waren de uit Geldermalsen afkomstige Frans van Meegdenburg (*1886-1958) en Sientje Maria Bronk (*1886-1945) uit Buren. (zie foto) Ze kregen samen acht kinderen:
• Wouter (*1913)
• Jan-Willem (*1915)
• Christina (*1917)
• Frans (*1919)
• Geert "Gert" (*1921)
• Helenes (*1924)
• Sientje (*1927)
• Bart (*1931)




Het gezin woonde in de wijk 't Rot op Lingedijk 119  te Geldermalsen. (Bron: uitgeknipt krantenbericht)

 
Gert van Meegdenburg (Bron: G. de Ruiter-van Meegdenburg)

"Gert"  was als stoffeerder werkzaam bij meubelfabriek De Ster  in het centrum van Geldermalsen. Dit was in die tijd één van de drie  grote werkgevers  in de stad.
Op 10 juni 1942  werd hij door bemiddeling van de arbeidsbeurs in Tiel  voor de arbeidsinzet  naar de Westfalischen Anhaltinischen Sprengstoff - AG  in Coswig gestuurd. Zijn vader had liever dat hij onderdook, maar Gert leek het  beter toch te gaan nu hij tegelijk met zijn collega's van de fabriek naar  Duitsland kon. Na drie maanden had hij er echter al genoeg van en vluchtte op 7 september 1942.  Een dag later werd hij echter in Bad Bentheim, nabij Osnabrück, opgepakt en naar een werkkamp  overgebracht. Op 5 november werd hij hier vandaan naar de "Polizeigefängnis" te  Magdeburg-Sudenburg gestuurd. Hier bleek bij een lichamelijke keuring dat hij een abces in de hals had,  waarvoor hij behandeld werd. Op 26 november 1942 klaagde hij over hevige pijnen  in zijn linker voet. De dienstdoende arts constateerde een sterk etterende wond  en hij werd terstond opgenomen in het hem al bekende ziekenhuis. Geert gaf daar toe  dat hij de ontsteking aan zijn voet al had op 5 november, maar het niet wilde  melden omdat hij hoopte z.s.m. weer vrijgelaten te worden. Verdere behandeling  had echter al geen zin meer, omdat de aandoening al in een te ver stadium was. Op 7  december 1942 is hij hieraan tenslotte in het ziekenhuis in Magdenburg-Sudenberg  overleden aan, wat op de overlijdensakte omschreven wordt als "acute hartzwakte".
Hij lag begraven op de Westerhüssener Friedhof te Magdeburg, maar zijn stoffelijk overschot  is later op de Erebegraafplaats Loenen herbegraven.

Gertje de Ruiter, een nichtje die vernoemd is naar Gert, heeft oude herinneringen aan de familie  van Gert van Meegdenburg op papier gezet.
"In  de Tweede Wereldoorlog moest Gert als dwangarbeider in Duitsland gaan werken. Frans, zijn vader, wilde dat hij zou onderduiken,maar Gert wilde toch samen met  zijn collega's en vrienden meegaan omdat hij niet wist hoelang de oorlog zou duren en hij anders misschien later toch en met vreemden naar Duitsland zou  moeten.
Met  zijn ouders maakte hij de afspraak dat hij zoveel mogelijk brieven zou schrijven. Als alles goed met hem  ging zou hij met met een zwarte pen schrijven en als het niet goed ging met een andere kleur.
Op   een gegeven moment is hij gevlucht en vlakbij de Nederlandse grens opgepakt en naar een gevangenis gebracht. Daar bleek dat hij een wond had in de hals en een  erg ontstoken wond aan zijn voet. Hieraan is hij in een ziekenhuis overleden.
Zijn  vader Frans liep in Geldermalsen op de markt en verschillende mensen vroegen aan hem of het waar was dat Gert dood was. Blijkbaar wist heel Geldermalsen het, alleen de familie nog niet. Zijn vader is toen naar het gemeentehuis gegaan om te vragen wat er aan de hand was, en of het waar was dat Gert dood was en niemand het hen durfde te zeggen.
Frans had nog meer zonen die ook in Duitsland moesten gaan werken, maar dat ging  dus niet gebeuren! Er werd in het donker een schuilkelder gegraven in het  achterhuis aan de Lingedijk 119. De grond werd uitgestrooid over het land achter  het huis. Het was een kelder van ongeveer twee bij vier meter waar je in kon staan. Aan de zijkant waren twee steunen gemetseld waarop bedden konden rusten.
Ook  was er een schoorsteen voor een kacheltje,een verdieping hoger stond ook een kachel om voer voor de varkens te koken. Tegenwoordig eten wij krieltjes, maar vroeger was dat voer voor de varkens.  
De ingang van de kelder werd afgesloten met houten balken en er werd een geitenhok op gebouwd, met flink wat stro erin. Rondom dit geitenhok werd peper gestrooid om eventuele speurhonden te misleiden.
Op een dag kwam er een oproep dat zoon Frans naar Duitsland moest. Iedereen was op zijn hoede, maar Frans junior reageerde niet op de oproep.
Op  een gegeven moment kwam er een inval bij Frans jr thuis en Frans jr kon nog net ontsnappen. Niemand wist zogenaamd waar hij was.
's  Avonds reed er een paard en wagen het erf op bij zijn vader. Het was Janus van  Erkom. Hij reed met de wagen tot aan de schuur en hij kiepte de wagen, zodat  er een vloerkleed uitrolde. En wie zat daar ingerold: Frans jr. Hij had de hele dag in de hooiberg gezeten en toen het donker was, was hij naar de boer Janus  gegaan en die bracht hem op deze wijze weer naar huis.
Frans jr. is toen als eerste de schuilkelder ingegaan.
De  politie (en/of Duitsers) waren naar hem op zoek. Ze kwamen op een gegeven moment ook bij vader Frans zoeken.  Deze trok  de klompen van zijn zoon aan  en liep daarmee over het land achter het huis om een (dwaal)spoor te maken. Toen  de politie weer kwam, speelde hij de zeer bezorgde vader die ook niet wist waar  zijn zoon was en vroeg of zij hem alstublieft mee wilde helpen zoeken. De  politie vond het spoor en zijn over het land vertrokken. Ze kwamen nog regelmatig terug, maar vonden natuurlijk niets.
Nadat Gert naar Duitsland vertrokken was hebben zijn ouders hem nooit meer  gezien. Zijn  moeder kon niet geloven dat haar zoon niet meer leefde en daarom bewaarde zij iedere dag een pannetje eten achter op de kachel, voor het geval Gert thuiskwam  en vast honger zou hebben. Volgens mijn moeder is de moeder van Gert van verdriet gestorven.
Er hebben nog meer onderduikers in de schuilkelder gezeten, maar ik weet niet of er nog broers van Gert bij zaten. Ik denk het wel, want ze zaten met vier man in die kelder. Wel weet ik dat de overbuurjongen ( Wim?) van Eck, die samen met Gert naar Duitsland  was gegaan en met verlof was, bij Frans sr. kwam en vertelde dat hij zo bang was om weer terug te  gaan. Frans zei toe: "Ga naar huis, pak je spullen voor Duitsland en kom hierheen zeg tegen niemand waar je heen gaat." Hij  is toen ook in de kelder ondergedoken.
Soms kwamen ze 's nachts naar boven. Ze zaten dan op de grond en ze waren heel  bleek, omdat ze nooit buiten kwamen. Ook werden ze dan geschoren.
Om zijn gezin en al deze onderduikers te eten te geven, slachtte Frans sr. illegaal dieren. Zijn vrouw Sien zat dan in de vensterbank  voor het huis op wacht. Ze  zag vaak in de verte het vuur van een sigaret opgloeien van een Geldermalsense poilitieman, die een oogje dichtkneep. (Deze  politieman had bij de inval in het huis van Frans sr., Frans jr. zien vluchten  en op hem geschoten. Maar omdat er Duitsers bij waren, schoot  hij expres mis.) Het  vlees werd naar de schuilkelder gebracht en van daaruit geruild voor andere  levensmiddelen.
Na het slachten werd steeds de deel opnieuw gewit om de bloedspatten onzichtbaar te maken.  
Dit  is mijn verhaal over mijn ome Gert. Het is het verhaal, zoals mijn moeder het mij heeft verteld en zoals ik het mij herinner."
 


Uit: De Teisterbander van begin december 1942

Met dank aan Gertje de Ruiter-van Meegdenburg voor de familiefoto's


Terug naar de inhoud