Situatie Culemborg mei 1940 - Oorlogsslachtoffers Betuwe-West

Oorlogsslachtoffers uit gemeenten Buren, Culemborg en West Betuwe
Oorlogsslachtoffers West-Betuwe
Ga naar de inhoud

Situatie Culemborg mei 1940

Gemeente Culemborg
De eerste  bange oorlogsdagen in Culemborg

 
Huize De Bol

De aanloop
Als gevolg  van toenemende internationale spanningen kondigde Nederland op 29 augustus 1939  de algehele mobilisatie af. Alle verloven werden ingetrokken en reservepersoneel  van alle legeronderdelen werden in actieve dienst geroepen en moesten zich  voorbereiden op de staat van oorlog.
Doordat Culemborg onderdeel uitmaakte van de Hollandse waterlinie werd er  vanwege het strategisch belang  (m.n. de spoorbrug) in de periode hiervoor al  een aanvang genomen met de plaatsing van bunkers bij de Diefdijk en van  afweergeschut.  Het commando van de 'luchtverdedigingskring Lek', onder commando van de  reserve-kapitein H. U. Sperna Weiland werd in Culemborg gevestigd en wel in een  pand aan de Stationsweg. Het  luchtafweergeschut werd o.a. opgesteld bij de Rondeel en Den Bol, welke is  gelegen langs de Lekdijk tussen Culemborg en Beusichem. Het was voor de  vordering door de Nederlandse militairen een buitenverblijf van het Groot  Seminarie. De bij Culemborg gevestigde luchtafweereenheden behoorden tot de 117e  Batterij Luchtdoelartillerie en het 96e en het 97e Peloton  luchtdoelmitrailleurs. Deze eenheden stonden onder commando van de Reserve 1e  Luitenant van de Artillerie F. Preijs.


Tijdens de mobilisatie was een passagierslijn van de Duitse Lufthansa zo  uitgestippeld dat die over Culemborg en omgeving liep. De vlieghoogte van dit  toestel was ca. 500 meter en het passeerde in het zicht van het Nederlandse  luchtdoelgeschut. Er hebben zelfs enige tijd houten bouwsels ter camouflage, om  de luchtdoel kanonnen gestaan.  Deze laatste werden opgesteld  in neerklapbare schuurtjes bij huize  "Den Bol" aan de Beusichemsedijk en in de omgeving van de spoorbrug en het veer.  Zelfs midden in de stad op de Varkensmarkt stond luchtafweergeschut opgesteld.

Tijdens deze zgn. voormobilisatie  veranderde  het  9300 zielen tellende  Culemborg in een garnizoensstad. Er werden in Culemborg een groot aantal  militairen van de luchtdoelbatterij ingekwartierd. De Fröbelschool van J.C.Bink  in de Goilberdingerstraat moest plaats maken voor een groot aantal Nederlandse  soldaten.  In het R.K.-parochiehuis in de Grote Kerkstraat was de 3e Compagnie  Pioniers (3CP) gelegerd. In de grote zaal hadden de soldaten hun slaapplaatsen .  Het voorste gedeelte werd gebruikt als kantine. Op het Speelterrein  'de Doelen' te Culemborg  kwamen eveneens een groot aantal Nederlandse soldaten,  in tentenkampen, als ook in het voormalige gebouw 'Maria Regina' op de  Varkensmarkt. Het gebouw De Trio in de Binnenmolenstraat werd  tevens voor de  Nederlandse strijdkrachten gevorderd, terwijl het gebouw de Imprimator in de  Prijssestraat kort tevoren daarvoor in gebruik was genomen. Ook bij  particulieren werden soldaten ondergebracht, zoals bij familie Verschoor  op de Markt.

Er werd voor de stad ook  vast enkele regelingen getroffen: in het geval van oorlog  zouden het  Barbaraziekenhuis,  het Seminarie en het Elisabethweeshuis als  noodhospitaal   voor de gewonde militairen en burgers worden ingericht. Evacuatieplannen waren  al voorbereid. Evacueren op eigen initiatief werd  door de Commissie  Burgerbevolking niet toegestaan.
Beusichem en Culemborg vielen bij het uitbreken van de  mei-oorlog onder de Nederlandse brigade G, waarvan het commando ook in Culemborg  gevestigd was. Tijdens de mobilisatie werden door de Nederlandse militairen  allerhande vervoermiddelen gevorderd. Deze voertuigen werden dan zo snel  mogelijk in camouflagekleuren overgespoten.
In Culemborg was ook gelegerd de C-afdeling van de G-brigade. Om het aantal  staven compleet te maken was er dan nog de staf van het IIIe Legerkorps. Al met  al meer dan voldoende reden om bijzondere aandacht van de Luftwaffe te krijgen.

Ronkende vliegtuigen  boven Culemborg
Op 10 mei vielen de Duitsers Nederland  binnen. Door een overrompelingstactiek probeerden zij een beslissing te  forceren. 's Nachts om drie uur werd de grens overschreden door marcherende  troepen, pantservoertuigen en in de lucht m.b.v. transportvliegtuigen die ver  achter de Hollandse Waterlinie parachutisten dropten.
De luchtafweer van Culemborg was wel voorbereid op de komende  gebeurtenissen, want in de nacht van 9 op 10 mei 1940 was de commandant al in  zijn commandopost aanwezig en luisterde daar naar de luchtwachtberichten, die  zonder onderbreking vanaf omstreeks 1.40 uur door het Commando Luchtverdediging  werden uitgezonden. Vooral de wachtbarak van de 117e Batterij  Luchtdoelartillerie bleek een aantrekkelijk doel voor de aanvallende jagers en  werd met 2 cm granaten doorzeefd. Tussen 4.45 en 5 uur onderging de 117 Batterij  enige aanvallen van 4 Me-I09 jachtvliegtuigen, waardoor zes mannen werden  gewond. Door He-111 bommenwerpers werden onder meer bommen afgeworpen op  Sprokkelenburg en langs de Lange Dreef, waarbij diverse panden schade opliepen.
Culemborgers werden die  vrijdagmorgen gewekt door ronkende vliegtuigmotoren en ratelend afweergeschut. Duitse vliegtuigen scheerden laag over de Culemborgse huizen en  mitrailleurkogels ketsten over de straten. Veel daken en ramen moesten het  ontgelden. De bevolking schuilde binnenshuis en in kelders.

Nederlands luchtdoelgeschut
 

Het Barbaraziekenhuis was ingericht als Rode Kruishospitaal. Militaire artsen  opereerden er de eerste oorlogsdagen militairen die in de Peelinie en Grebbeberg  gewond waren geraakt. Enkele zwaar gewonden werden per gevorderde V&D-  vrachtwagen naar het militair hospitaal in Utrecht gebracht. De toevloed van  militaire gewonden was op een bepaald moment zo groot dat er zelfs door gebrek  aan verbandmiddelen altaarkleden van de nonnen tot repen werden geknipt.

Op 11 mei 1940 werd de luchtafweer dan ook nog  versterkt en wel met de 20e batterij luchtdoelartillerie en het 91e en het 93e  Peloton Luchtdoelmitrailleurs. Deze eenheden waren toen al terug getrokken uit  hun oorspronkelijke opstelling bij Waardenburg en stonden onder commando van de  1e luitenant der artillerie C. Roeleveld. Door het Nederlandse leger was  inmiddels oostelijk van de spoorbrug een schipbrug gelegd; onder meer had hier  de 3e Compagnie Pontonniers aan mee gewerkt. Het slaan van schipbruggen over de  Lek, was voor de oorlog al diverse malen geoefend o.a. bij het Beusichemse veer,  waarbij destijds nog een soldaat is verdronken. Tijdens deze oefening werd dan  als vaste regel een avondconcert verzorgd door de stafmuziek uit Amersfoort.  Deze concerten vonden plaats in de muziektent, welke destijds 's zomers op het  marktplein in Beusichem stond.

Ook waren er nog een aantal zogenaamde spoorwegtroepen  in Culemborg gelegerd. Deze troepen waren belast met het technisch onderhoud van  de brug en het eventueel bruikbaar maken van de spoorbrug als verkeersbrug. Zij  hadden onder andere aan weerszijden van de spoorbrug barakken gebouwd.
Zowel op vrijdag 10 mei als zaterdag 11 mei slaagde het Culemborgs  afweergeschut erin Duitse toestellen neer te halen. Een kwam in Schalkwijk  terecht, de andere in Houten. Het afweergeschut bij huize De Bol had het bij  Duitse luchtaanvallen zwaar te verduren en dat kostte het leven aan  dienstplichtig sergeant Berend van Zon uit  Holten en dienstplichtig soldaat  Adriaan de Zeeuw uit Terneuzen.
Op 12 mei 1940 kwam in de omgeving van Beusichem het  IIIe bataljon behorende tot het 24e Regiment Infanterie aan, terwijl de  luchtverdediging van Culemborg door uit Brabant en Limburg teruggetrokken  troepen verder versterkt werd. Onder deze eenheden waren o.a. het 6e bataljon  van het 14e Regiment Artillerie, de 14e Compagnie pantserafweergeschut en het 3e  bataljon van het 2e Regiment Infanterie.
Het le bataljon van het 46e Regiment Artillerie trok via de Lekdijk uit de  Betuwe-linie hij Kesteren in de richting van de Diefdijk terug en bevond zich in  de nacht van 13 op 14 mei 1940 ter hoogte van Beusichem.
De Duitse aanval, in de richting van Culemborg, kwam  langs beide zijden van de Lek. Ten zuiden van de Lek rukte de zogenaamde  Kampfgruppe Brüeckner op, die via Ravenswaay, op dinsdag 14 mei om ca. 12 uur  Beusichem bereikte. Daar deze gevechtsgroep over de Lekdijk trok was dit in het  dorp niet of nauwelijks bekend, temeer daar het oprukken hij Beusichem niet met  gevechtshandelingen gepaard ging. Aan de overzijde van de Lek waren de Duitse  207e Divisie, versterkt pet de SS-Standarte (eenheid) „Der Führer", tot aan de  noordelijke oprit van de spoorbrug te Culemborg gekomen. Van deze eenheden waren  er een aantal manschappen in geslaagd op de spoorbrug te komen en zij openden  vandaar het vuur op de stad. Pogingen van de Nederlandse troepen om de spoorbrug  te heroveren mislukten. De door deze beschieting in Culemborg ontstane  verwarring werd nog erger toen Duitse artillerie Culemborg ging beschieten  alsmede de forten aan de Diefdijk.
Er was bij Culemborg geen verkeersbrug voor  troepenverplaatsingen, vandaar dat er een pontonbrug werd geslagen. Deze lag op  ongeveer 200 meter van de spoorbrug, ter hoogte van de tegenwoordige  pontveer. De Duitsers hadden het hier in de eerste oorlogsdagen geregeld op  gemunt. Deze pontonbrug werd in de namiddag van de 13e mei afgebroken. Voor het overzetten van de troepen werd hierna de spoorbrug  gebruikt.
Als gevolg van Duitse luchtaanvallen bij de brug(gen) van Culemborg waren  tussen 11 mei en 14 mei 1940 acht gesneuvelde Nederlandse dienstplichtige  militairen te betreuren. De meesten waren gestationeerd bij de daar opgestelde  luchtafweerbatterij:  Albert Bronkhorst uit Amsterdam, Jan Edink uit Kampen, Kees  Hoogeveen uit Rotterdam, Tinus Willemse uit Haarlem. De andere vier slachtoffers  werden al vermeld op deze pagina.
De eerste burgerslachtoffers   
                                                  
Johan met zijn dochter bij de Binnenpoort
Op zondagmiddag 12 mei 1940 werden tijdens beschietingen door Duitse vliegtuigen in de Triowijk te Culemborg twee personen dodelijk getroffen. De 68-jarige heer Johan van Empel, woonachtig in Bergen op Zoom, was op familiebezoek op de 1e Triostraat. Hij liep samen met zijn schoonzoon langs de gracht aan de Triosingel, toen de kogels insloegen. Zijn schoonzoon sprong  meteen achter een heg en bleef ongedeerd, maar de gepensioneerde politieagent vond daarbij de dood. Bij dezelfde Duitse actie kwam ook  de 85-jarige mevr. C. de Kruijff-van Ingen  uit Kesteren om het leven. Zij was op dat moment op visite in de 2e Triostraat. Ze was weduwe van een veldwachter uit Kesteren en had negen kinderen. De stoffelijke overschotten van dhr. Van Empel en mevr. De Kruijff-van Ingen, werden samen met een andere, op een natuurlijke manier overleden, Culemborgse per vrachtauto vanuit het Algemene ziekenhuis overgebracht naar de NH-begraafplaats aan de Achterweg. Vanwege de beschietingen en de optredende duisternis, werden alle drie de personen in hetzelfde graf begraven. Dit graf is inmiddels geruimd.
Op 13 mei (2e Pinksterdag) vormden Duitse vliegtuigen nog steeds het grootste gevaar. Een vloog er over de Volenkampen en doordat een van zijn bommen terecht kwam in het grasveld voor Sprokkelenburg, waarin de Nederlandse militaire staf lag ingekwartierd, stortte door de hevige luchtdruk de gehele voorgevel van deze prachtige villa in.
Omstreeks 15.15 uur ontving kapitein Sperna Weiland bericht dat het Veldleger zich in de komende nacht achter de Diefdijk zou terugtrekken en dat daarom de afdelingen luchtafweer tegen de nacht marswaardig moesten zijn. Tegen hét vallen van de avond, toen de onderdelen voor vertrek gereed stonden, bombardeerden de Duitsers de 117e Batterij Luchtdoelartillerie, waarbij de uit Assen afkomstige dienstplichtigen Berend Lunshof en Pieter van Asch uit Geldrop werden gedood.
Tijdens de gevechten bij de Grebbe- en de Betuwe-linie kon men 's nachts de door de oorlogshandelingen veroorzaakte branden zien, terwijl het dreunen van het geschut de gehele dag hoorbaar was. Hierbij kwamen nog de verontrustende berichten die de uit de Peel-Raamstelling terugtrekkende eenheden meebrachten alsmede de directe dreiging van de naderende Duitse troepen en een waarschijnlijke evacuatie van het gehele voorterrein van de Diefdijkstelling.
Tegen de avond trokken de troepen in Culemborg zich terug te trekken achter de Hollandse waterlinie. Lichten in de stad moesten worden gedoofd en in een flauw schijnsel hoorde men het onophoudelijke voorbijtrekken van militaire wagens, motoren, paarden, keukenwagens, eigenlijk alles wat bij een leger hoort. Slechts twintig soldaten en een kapitein bleven in de stad achter. Geen wonder dat de meeste inwoners die nacht van angst geen oog dicht deden.
Op dinsdagmiddag 14 mei rond vier uur ontploften kort na elkaar twee granaten in het Havendijkkwartier. Deze waren afkomstig van Duitse artillerie die stond opgesteld aan de overzijde van het Beusichemse veer. Zij probeerden Fort Everdingen te raken. Een granaat sloeg in naast café Lachniet  aan de Havendijk. De ander op een huis Achter de Vismarkt dat werd bewoond door de familie Bosschaart (zie foto). Piet stond samen met zijn vijfjarige zoon Joop op dat moment  in de voordeuropening van hun huis te kijken naar overvliegende Duitse vliegtuigen. Hij werd dodelijk getroffen door de schervenregen, maar de kleinere Joop raakte slechts lichtgewond. De vrouw van Piet, die boven in het kraambed lag, kwam hierbij ook om. De wieg van hun zes dagen oude baby Zwaantje was door de luchtdruk omgevallen en hierdoor overleefde zij de explosie. De granaatscherven zaten in de onderzijde van het matrasje.
Joop is liefdevol opgevangen door zijn opa en oma in Culemborg en Zwaantje, die enkele jaren later kinderverlamming kreeg, ging naar haar oma in Leerdam. Beiden zijn nog steeds in leven.

 Klik hier voor originele krantenberichten uit de Culemborgse Courant van deze bange meidagen in 1940
Grote uittocht naar  Beusichem
Het vergissingsbombardement van de Duitsers op het  Havendijkkwartier op 14 mei 1940, waarbij het echtpaar Bosschaart omkwam, was  voor het grootste deel van de bevolking van het Havendijkkwartier en de nabij de  spoorbrug gelegen Veerweg en de Leerdamsebuurt het sein te vluchten naar de  binnenstad. Iedereen was bang dat de stad en de spoorbrug vernietigd zou worden.  De bekende Culemborgse politicus en columnist van de Culemborgsche Courant Ot de Beus riep hen  toe: “Allemaal naar de Grote kerk!”  Hier werd door burgemeester Keestra  omstreeks 17.00 uur het sein tot evacuatie  gegeven. “Ieder vlucht op eigen  gelegenheid zo spoedig mogelijk in de richting Beusichem. Niet naar Leerdam,  want daar liggen de mijnen!”
De communicatie met de rest van het land was in die dagen erg gebrekkig, want op  datzelfde moment was de algehele capitulatie door generaal Winkelman, de  opperbevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten, al uitsproken en ondertekend.  Niemand in Culemborg was daar echter van op de hoogte.
De evacuatieleiders en buurtverantwoordelijken  (blokhoofden), moesten zorgen dat alles volgens plan en zonder paniektoestanden  zou verlopen. De bewoners van de Leerdamsebuurt en Veerweg kregen voorrang,  vanwege de Duitse dreiging en beschietingen vanuit de Schalkwijkse kant van de  spoorbrug. Spoedig daarna volgde de rest van de stad.


Evacues op de Oudaseweg  (foto: Ypma)

Ooggetuige Albert Merkx: “Er werd omgeroepen dat we moesten evacueren  naar Beusichem. Wat raar, dan ga je toch de vijand tegemoet? Naar het westen kon  niet, want daar waren mijnen gelegd. Hoe dan ook weg van die spoorbrug. Er  stonden gevorderde wagens en vrachtauto klaar om de ouderen en zieken te  vervoeren. Mensen liepen te zeulen met kruiwagens, handkarren, fietsen. Dit om  maar zoveel mogelijk huisraad en kleren mee te nemen. Mijn moeder had een  handige oplossing. Zij had ten tijde van de Eerste Wereldoorlog in Weert gewoond  en had daar Belgische vluchtelingen zien komen. Die hadden zich praktisch  ingesteld. Zo deed mijn moeder ook met ons. Je kon maar nooit weten waar we  terechtkwamen en hoe lang het zou duren. Ondanks de warme meimaand trokken we  eerst een regenjas aan en daarover een winterjas. In de zakken werden allemaal  kleine dingen gestopt. Ze rolde voor ieder een deken met touwtjes vast, die je  dan meteen een riem schuin op je rug kon dragen. Dan had je de handen vrij om  een zak of tas te dragen. Zo was ieder zijn eigen pakezeltje en had je veel  kleine benodigdheden onder handbereik bij je.
In de Zandstraat vlogen weer vliegtuigen over ons heen. Mensen stoven naar de  kant. Een Nederlandse militair sloeg met de kolt van zijn geweer de grote  showroom ruiten van Chevrolet-garage Ton open. Zo konden we daar schuilen tot  het schieten voorbij was. Maar op de Weidsteeg moesten we weer een paar keer de  greppel induiken.”
De ouders van Joep Vermeulen (*1927) waren al met het  hele gezin aan het eind van de stoffige Weidsteeg, toen huisarts Wachters met  zijn auto enkele vluchtende inwoners waarschuwde dat het Nederlandse leger al  had gecapituleerd en dat vluchten geen zin meer had. Dit gezin keerde terug,  maar andere families namen het zekere voor het onzekere en zetten hun uittocht  voort.
Een inwoner herinnerde zich: “ Mijn gedachten  concentreerden zich uitsluitend op lijfsbehoud. Alleen die dingen die klaar  stonden of met bedachtzaamheid tevoren waren ingepakt, werden meegenomen. Voor  de rest was geen tijd en men gunde er zich ook niet de tijd voor. Bezit werd  volkomen achtergesteld voor levensbehoud. Al wat iemand heeft, zal hij geven  voor zijn leven.”
Sprokkelenburg  (Foto Ypma)
Hij vervolgt: “Wij reden  na het gegeven bevel weg via  de Kattenstraat, Slotstraat naar het Voorburg. Toen we in de Oranje-Nassaudreef  kwamen klopte mijn hart sneller: ontwortelde bomen op de weg, een onontplofte  bom, ravages bij enkele villa zoals Sprokkenburg, een gebombardeerd huis op de  Lange Dreef en drie zwaar gehavende boerderijen. Bij hoeve De Geer lag een  militaire transportauto in de greppel. Binnen enkele minuten waren wij in  Beusichem en vernamen daar dat de Duitsers reeds in Rijswijk stonden. Achteraf  bleek dat toen de  Duitse commandant vernam dat de bevolking van Culemborg  vluchtte naar Beusichem, hij zijn troepen opdracht had gegeven op de rivierdijk  te blijven om de vluchtelingen ruim baan te geven. Wij besloten daarom in  Beusichem te blijven en werden hartelijk welkom geheten in hotel de Zwaan.  Eindelijk geen ratelend machinegeweervuur meer...”
In korte tijd stonden de  Beusichemmers in afwachting wat komen zou. Menig auto stopte en men hielp de  mensen uit hun benarde positie. Kort daarop arriveerden de eerste fietsen,  beladen met van alles en nog wat, wat bijna onmogelijk op een fiets kan. Al was  men uitgeput en vermoeid, ontsteld en verschrikt, men kreeg onderdak en men  hoorde geen enerverend schietgeweld meer. Daarna kwam de grote stroom van mensen  dan eindelijk binnen het dorp op allerlei voertuigen tot kruiwagens toe. Het was  een ontroerend schouwspel. Veel auto’s en vrachtauto’s reden door het dorp  richting Zoelmond, Ravenswaay en Asch om daar bij familie of kennissen onderdak  te vragen.
Dat het niet altijd volgens plan verliep, getuigt het  volgende voorval. Enkele  inwoners hadden geluk dat ze beschikten over een  motorvoertuig. Zo werd op de heenweg de chauffeur van een open vrachtauto van  kolenboer Bonhof -Muller uit de Zandstraat in Culemborg, geladen met  Culemborgers die naar Rijswijk wilden vluchten, nabij de brug over het Tielse  kanaal bij Ravenswaay, beschoten door Duitse militairen. Zij vermoedden dat Nederlandse  soldaten zich tussen de vluchtelingen en hun bagage hadden verborgen, met het  doel die brug op te blazen. De vrachtwagen werd ogenblikkelijk onder vuur  genomen. Toen de vrachtwagen bij de boerderij in Rijswijk aankwam, werden de  evacués direct uitgeladen. Behalve drie gewonden, bleek dat  de 46-jarige Marie  Bonhof, wonende aan de Oude Vismarkt 16 in Culemborg, door dit salvo dodelijk  gewond was geraakt. De destijds 12-jarige zoon Willem Bonhof was al in de  boerderij, toen hij het nieuws hoorde over zijn moeder. Hij was op dat moment  wees, daar zijn vader, die directeur van de Posterijen in Culemborg was, een  jaar daarvoor plotseling was overleden.
Ot de Beus: “De burgemeester van Beusichem, dhr. Van  Everdingen, komt alle lof toe voor de wijze waarop hij de vluchtelingen onder  dak bracht. Wij sliepen in een koeienstal op de hoeve Belvedere in de Lagewaard,  waar plaats was voor 30, maar dat werden er 150 a 200. De burgemeester had zelf  plaats voor tien, maar dat werden er 40.  De lagere school lag vol en de kerk  bood in haar interieur een aangrijpend gezicht. In alle banken zaten mannen,  vrouwen en kinderen, zij aan zij een in nood en ellende. Enkele trachtten te  slapen, het hoofd voorover, rustend op de bank voor hem. Ik zag ook kinderen die  in een etalage van een fietswinkel lagen te slapen.”
Degene die niet hadden geslapen of gewoon vroeg  uit de  veren waren, hoorde de volgende morgen op het dorpsplein al vroeg dat Nederland  zich had overgegeven en de strijd had gestaakt. Het bericht ging al snel van  mond tot mond. Kapper Albert Merkx die onderdak had gevonden bij zijn collega  Boon in Beusichem, was al voor zes uur in de weer met klanten die hun baard in  dit dorp wilden achterlaten.
Albert Merkx: “Al heel vroeg in de volgende morgen  hoorden we dat Nederland gecapituleerd had. We mochten weer terug naar huis.  Omdat veel mensen nu verschillende richtingen namen, was het niet zo chaotisch  als op de heenweg. Rond het middaguur waren we weer thuis. Gelukkig was er niets  kapot.”
Ot de Beus had van die benauwde meidagen heel wat  mensenkennis opgedaan:
“Toen de bommenwerpers hun last los lieten en de  kanonnen de granaten wegslingerden, hebben allen de kans gehad getroffen te  worden. In die ogenblikken blijken veel mensen anders te zijn, dan waarvoor zij  zich in het gewone dagelijkse leven aandienen: Zij die altijd een grote mond  hadden, toonden in die ogenblikken een heel klein hartje te hebben. Inwoners met  een egocentrisch gevoel van belangrijkheid, voelden zich opgejaagd alsof de  duvel op hun hielen zat. Weer anderen die beweerden heel veel voor de  samenleving over te hebben, bleken alleen belangstelling voor zichzelf te hebben.  Ik zag ook doodeenvoudige mensen met een rotsvast vertrouwen, die niet bang voor  de dood hun plicht tegenover anderen volbrachten.”
Op 30 juni 1940 gaf de Culemborgse Harmonie Crescendo op  het marktplein in Beusichem een concert uit dankbaarheid voor de verleende  gastvrijheid bij de evacuatie.
Tenslotte zei Ot de Beus het zo: “Een goede buur is  beter dan een verre vriend en Beusichem is een goede buur gebleken.”

Op 14 mei 1946 schonken de inwoners van Culemborg uit  dankbaarheid een gevelsteen aan Beusichem. Deze door Jacq. van Rijn vervaardigde  steen is nog steeds te bewonderen aan  de zijkant van het voormalig gemeentehuis aan de Markt in Beusichem.

Klik  hier voor  originele krantenartikelen uit de Culemborgse Courant over de evacuatie naar  Beusichem.

Bekijk hier de aflevering van Andere  tijden met o.a. de opkomst van Hitler en de meidagen van 1940
Terug naar de inhoud